Professieritueel

Het ritueel van de professie was overeenkomstig deze ascetische levensstijl en verwees duidelijk naar sterven en versterven. Nadat iemand een jaar noviciaat (= wederzijdse kennismakingsperiode) had gedaan en in het eenvoudige zwarte habijt met leren riem in het klooster had geleefd, werden de geloften afgelegd. Nadat het lijdensverhaal uit het evangelie van Johannes was gelezen, de novice uitgestrekt had gelegen op het zwarte kleed dat normaliter op de katafalk werd gelegd bij een uitvaart, en de doodsklok was geluid, legde hij de vier geloften af in de handen van de hoogste overste.

Dan ontving hij het passieteken op zijn habijt, er werd een doornenkroon op zijn hoofd gelegd en een houten kruis op zijn schouders. Onder het zingen van de boetepsalmen 51 en 130 werd een processie gemaakt door de kapel of kerk.

Apostolaat

Naast het contemplatieve en ascetische aspect van dit religieuze leven is er het apostolische, waardoor zij zich in hun verkondiging bijzonder richten op de armen en de gemarginaliseerden van samenleving en kerk. Vanwege hun werk in Noord- en Midden Italië verleende Paus Clemens XII hun de titel van ‘apostolisch missionaris’. Typerend voor de bezinningsweken in parochies -‘missies’ genoemd- was, dat iedere avondpreek voorafgegaan werd door een lijdensmeditatie. Deze werd gehouden door de Passionist die deze ‘missie’ verzorgde. In de lange preek diende de barmhartigheid van God uitdrukkelijk ter sprake te komen.