ca. 1800

Een agrarische samenleving

Limburg was rond 1820 een overwegend agrarische provincie. In Geleen was 90% akkerbouw met wat vee en boomgaarden. Men verbouwde tarwe, rogge, gerst, wortelen, beetwortelen, hennep, vlas, raapzaad, haver, bonen, boekweit en erwten. Aardappelen werden pas na 1850 op grotere schaal verbouwd naar aanleiding van een groot aantal graanmisoogsten. Een dagloner verdiende in 1819 51 cent. De lonen waren het laagst in Sittard, daar verdiende een ambachtsman bv een metselaar slechts 47 cent per dag.

De beestenboel op het erf

Op het erf liepen veel eenden, ganzen, kippen en soms kalkoenen. Afhankelijk van de grootte van de boerderij had men koeien en paarden. Ca. 1 paard per 8 hectare. Varkens liepen vrij rond met een varkenshoeder. Ook liepen er grote kuddes schapen rond.
In Oirsbeek bv. liepen rond 1800 30 schaapskuddes rond en in 1855 nog maar 3. Ook hield men graag bijen.

Een dubbele watermolen

De watermolen van Munstergeleen was een dubbele molen die werd aangedreven door de noordwaarts stromende Geleenbeek. Al voor 1287 werd op de oostelijke oever van de Geleenbeek een molen aangelegd. Deze was eigendom van het geslacht Born en werd door de heren van Born in 1287 aan de cisterciënserabdij van Godsdal/Val-Dieu verkocht. In 1291 werd op de westelijke oever een tweede molen gebouwd. In 1439 bezat de abdij hier dus twee molens die samen werden verpacht.  
De korenmolen, gelegen op de westelijke oever, was in  het begin van de 19e eeuw  in bezit van de gebroeders Arnoldus en Peter Joseph Houben, molenaars in Munstergeleen. Bij deze molen hoorden een huis, schuur, stal, bakoven en een boerderij met weilanden, boomgaarden en tuinen. De oliemolen op de oostelijke oever was in het begin van de 19e eeuw in bezit van de familie Welters-Luyten. Van de oliemoleninrichting bleven delen bewaard. Die functie werd opgeheven in 1914. In een aanbouw werd toen een door water aangedreven houtzaagmolen  ingericht. In1974 werden beide molens onttakeld.

Foto links: de molen ca. 1930

Ruzie over water

Mens en dier waren in de middeleeuwen voor hun voedselvoorziening geheel afhankelijk van de (graan)molens en hun bezitters. Ze hoorden in de feodale tijd, voor de Franse revolutie (veelal) toe aan grootgrondbezitters die er winstgevende voorkeursrechten aan ontleenden. Bij het opstuwen van water ter verhoging van het maalrendement ontstonden nogal eens ruzies. Zo ook in 1891, toen de eigenaren van de beide Munstergeleense molens met elkaar streden over het recht van verdeling van het water in tijden van droogte en over de bijdragen die elk moest leveren aan het onderhoud.

Andreas’ vader was molenaar

Andreas’ vader was molenaar. Daarmee behoorde hij zeker niet tot de armste inwoners van het dorp. Molenaars behoorden, evenals de grotere boeren, de burgemeester en de pastoor tot de notabelen van het dorp.  Als loon ontving hij een deel van het graan of koren  dat de boeren hem brachten om te malen.  Vroeg hij te veel dan konden de boeren elders laten malen. Uit een oud reglement blijkt dat ze dan zelfs het recht hadden om zijn paard uit te spannen totdat hij ze had terug betaald. Ook moest hij elke week van Pasen tot aan de nieuwe oogst een wagen naar Maastricht sturen.
Op zaterdag en op donderdag ging hij naar Sittard, zodat de boeren daar hun te malen graan konden inleveren danwel ophalen.

Iedereen was ook boer

De meeste boerderijen waren slechts enkele hectaren groot en omdat men nog geen kunstmest gebruikte was de opbrengst laag. Men hield op de lössgronden uiteindelijk meer over om te verkopen omdat men meer land had dan in het noorden van de provincie .Het was echter voor de meesten een karig bestaan. Combinaties van functies, zoals die van de ouders van Andreas Houben, die molenaar én landbouwer waren, waren geen zeldzaamheid.