1800-1900

De feestkalender

Naamdag – St. Joep
Het dagelijkse ritme werd onderbroken door feestdagen die werden ingegeven door de kerkelijke kalender en de seizoenen. Belangrijke feestdagen waren bijvoorbeeld gekoppeld aan de naamdag van de patroonsheilige van de parochie. Heiligen werden op een bepaalde dag in het jaar herdacht, dat noemde men de naamdag. Verjaardagen werden in die tijd niet gevierd maar wel de dag dat de heilige werd herdacht waar iemand naar vernoemd was. Aangezien er veel mensen Jozef en Fien heetten was St. Joep voor velen niet alleen de dag van de St.Joepmarkt in Sittard, maar ook hun persoonlijke feestdag.

De avond van tevoren kreeg men iets lekkers en een klein bosje bloemen, de zogenaamde “mei”. Het versje “Dit is de aovend, mörgen is den daag dat ich dich besjèke maag”  herinnert hier aan. Cadeautjes kende men niet, maar wel werd de feesteling die dag in het zonnetje gezet en werd bv zijn of haar lievelingskostje gekookt.

Kermis

Het dagelijkse ritme werd onderbroken door feestdagen die werden ingegeven door de kerkelijke kalender en de seizoenen.  Belangrijke feestdagen waren bijvoorbeeld gekoppeld aan de naamdag van de patroonsheilige van de parochie. De kerk was op de herdenkingsdag van deze heilige ingezegend. Mensen kwamen bij een inzegening van een nieuwe kerk van heinde en verre. Je kon dan extra aflaten verdienen. Dat waren papiertjes waarmee je zonden die je begaan had kon goedmaken (aflaten). In Geleen was de patroonheilige St.Eloy, tevens de beschermheilige van de smeden. In Munstergeleen was dit de heilige Pancratius.

De sacramentsprocessie

Precies 14 dagen na Pinksteren vond overal de H.Sacramentsprocessie ofwel de P(B)rònk plaats. De stoet werd voorafgegaan door de schutterij. Als laatste volgde de priester. Hij liep onder een baldakijn met in zijn handen een met daarin een gezegende hostie. Bij het voorbijgaan knielden de mensen langs de kanten uit eerbied voor Christus. Na afloop was er kermis in het dorp. In de herbergen werd gedanst en gedronken  Met name de vrijgezellen van het dorp vierden uitbundig feest.
Tijdens deze boerendanspartijen werd ook wel eens ruzie gemaakt. In elk dorp waren er wel een aantal liefhebbers van kloppartijen. Zo werden de bezoekers uit Sittard graag uitgescholden voor grasburgers waarop deze de jongens van Munstergeleen havervlaaieters naar het hoofd slingerden. De  jongens uit Gangelt werden uitgedaagd met het schelwoord moerepin. Bij anderen was het uitkloppen van je broekspijp , hetgeen verwees naar de aanwezigheid van vlooien, al voldoende als uitdaging. Als je dus in een ander dorp naar de kermis ging had je altijd een mispelen stok bij je als verdedigingswapen.

Plenkpartijen

Bij de smid, de wever of de schoenmaker vonden zogenaamd plenkpartijen plaats. Met name tijdens de lange winteravonden kwam men daar graag bij elkaar om de laatste nieuwtjes uit te wisselen. Men rookte een pijpje, er werd muziek gemaakt en er werden liedjes gezongen.
Een oogetuige die in het leger van Napoleon had gediend verhaalde rond 1820 dat de herbergen de plenkpartijen “den doodsteek hadden gegeven. Daar wordt niet meer, gelijk voorheen in de laatste gekout en gelacht; men moet er drinken, kaartspelen en geld verteeren. Of de civilisatie en de belangen der familie beter varen bij het herbergloopen, dan bij het uit plenken gaan, ik vermag er aan te twijfelen. Alle veranderingen zijn geen verbeteringen”.

Kerkelijke feestdagen

Feestdagen zoals Driekoningen (6 januari), Vastenavond, Pinksteren, St. Maarten kenden elk hun eigen invulling. Tijdens deze dagen trokken kleine groepjes langs de deur. Er werden liedjes gezongen en er werd gebedeld om wat kleingeld, worst of eieren. Ook werden er allerlei spelletjes gespeeld. Een heel bijzonder spel was het uitgooien van het kersbrood. Na de vespers verzamelden de sterkste jongelingen zich voor het kerkhof van Geleen. De koster verscheen met een brood dat 6 weken in de oven had gelegen. Vanaf het iets hoger gelegen kerkhof werd dit brood in de menigte gegooid, waarna de worsteling om het brood te bemachtigen begon.
Wie het brood wist te grijpen diende het boven de menigte te houden en te roepen: “Kersbrood, mijn brood”. Het kwam menigmaal voor dat diegenen die het hardst gevochten hadden, bloedend en met gescheurde kleding uitgeschakeld op de grond lagen. En dat een minder vinnige deelnemer de uitgeputte vechtersbazen aan de kant duwde en het brood zonder veel moeite omhoog wist te steken.

Landbouwfeesten

Wanneer een nieuw landbouwseizoen begon, de pachters hun pacht moesten betalen, het personeel van hoeve wisselde of wanneer de laatste oogst binnen was werd ook feest gevierd. Rond 15 augustus werd de laatste schoof tarwe de schuur in gebracht. Deze zogenaamde “martelgans” werd versierd met linten en bloemen. De meiden en knechten brachten deze in stoet begeleid door een muzikant naar de schuur. De week daarop vierde de boer feest. Vrienden en bekenden werden uitgenodigd voor de koffie en het avondeten. Er werd gegeten en gedronken, gekaart en gerookt. De oogst was binnen en men kon daarna even rusten.